verdragen wij soms handen
misschien treft de bliksem nu een beer
voorspel een toekomst op je bodem, van koffie, liggen wij nachten wakker
het zijn die sporen op je lichaam, aangedreven teugels
en of naast hout ook glas kan krommen
schraap je keel, kuch, kuch en wankel
straks loopt de oorlog over daken
vogels troepen samen, vergeet me vergeet me niet onder dit grijze deken
schrijf me niet; ons drankzweet druipt nog jaren
ze laten honden door de gevels breken
op jouw tong smelt zelfs peper
bloedgebrek doet haar extra ledematen ontvouwen
en het glas dat onder onze voeten brandt
in een stil tijdverdrijf geef ik stenen namen
slaap krachtig: gebald als een ster, je hart omzwachteld
de donder draagt mijn huid vannacht
kan het zijn dat je droevig bent, statisch en ongeladen
haar jukbeenderen zijn mijn handvatten (bij het zoenen en het praten)
er sloop een kiezel in de klok, de wijzers stokken
we maken winter op elkaars wangen
als wespen zwermen rond de honing verliest deze haar geur
moet ik maar eens boos worden, fijn ijs in glazen malen
een oester die rozig opent en binnen huist een zwam
naakt wuiven we de wolken uit, van hetzelfde bont is onze huid
nee, ik groei niet meer, ik kerf slechts haar naam in de zool van mijn schoen
doe je hals de groeten van mijn lippen
de dichtheidsgraad van water: klanken in 't kwadraat
blauw blauw ben ik. Op jouw kleurloze tong
Haar handen zijn een bang vogeltje in mijn handen
weet je, streelt ze de vragen in mijn nek
hang ik je oren uit, rek dan je tong
je kent deze stad, haar enige benen
vertriest op een avond als deze
als korsten op een wonde blijven we met hen iets eenzamer over
het was avond in de vectoren van je muziek
en ben ik wit pleister op je lichaam
dieren spoelen aan, mooi als een glimlach
een huis in mijn rug, kruipen en dan thuis komen
verveel, vervlieg, vervel, verreis
mijn schone slaapster, mijn armen bedekend
versmoor ik mijn liefde, lieve... daar vang ik straaljagers
is ze van enige waarde, verhaalt een straffende God
 
top tien
- weet je, streelt ze de vragen in mijn nek
- we maken winter op elkaars wangen
- dieren spoelen aan, mooi als een glimlach
- doe je hals de groeten van mijn lippen
- een huis in mijn rug, kruipen en dan thuis komen
- je kent deze stad, haar enige benen
- naakt wuiven we de wolken uit, van hetzelfde bont is onze huid
- op jouw tong smelt zelfs peper
- hang ik je oren uit, rek dan je tong
- en het glas dat onder onze voeten brandt
laatste reacties
- janien
- Tine
- maarten
- Marie

laatste buidel gedichten
- Maarten
- Marie
- Maarten
- joost
over
Is het internet wel een plaats voor poëzie? Horen verzen niet thuis in stoffige boekjes op een lang vergeten boekenplank, weggedrukt door een lijvige 'Carlos Ruiz Zafón'. Misschien wel, maar misschien kunnen ze ook een nieuw leven krijgen via programmeertaal. Wat als de regels van een gedicht échte variabelen worden en los van elkaar op elkaar gaan inwerken? Dat proberen we hier te achterhalen, met een aarzelende start, maar met sprankelende ideeën.

alle content
© 2008 BuidelPraat
bouw zelf een BuidelGedicht
BuidelRSS